www.f1-planet.com - Special: De Andere Kant Van De Pitmuur (1)

 

DE ANDERE KANT VAN DE PITMUUR (1)

 

  Deel 2
       
 

Vorig jaar zag Niki Lauda zijn ambitie om de hoogste positie in een Formule 1- team te bekleden eindelijk in vervulling gaan. Sinds het vertrek van Bobby Rahal maakt hij de dienst uit bij Jaguar. Maar het is een zwaar jaar geweest voor de 53-jarige Oostenrijker. Vooralsnog heeft hij zijn successen als coureur nog niet weten te benaderen.

Hij kan echter putten uit een rijke geschiedenis: vijf wereldkampioenen gingen hem voor: Jack Brabham, John  Surtees, Graham Hill, Jackie Stewart en Alain Prost. Evenals Lauda kozen zij voor een leven aan de andere kant van de pitmuur.

 

 

  Sir Jack Brabham

Sir Jack Brabham was een van de eerste coureurs die de stap waagde om een eigen team te beginnen. De Australiër Brabham debuteerde in 1955 op 29-jarige leeftijd in de Formule 1 en zou na enkele seizoenen in de Formule 2 definitief doorbreken als coureur bij het team van Cooper. Brabham had de eerste Formule 1-auto met de motor achterin zorgvuldig doorontwikkeld en zou vanaf 1959 de vruchten plukken van het grote voordeel dat dit had voor de gewichtsverdeling in de auto. Met twee overwinningen behaalde hij zijn eerste wereldtitel en deze zou hij een jaar later prolongeren. 1961 verliep echter zeer teleurstellend.

Tot ieders verbazing besloot Brabham in 1962 een zelf ontwikkeld chassis in te zetten onder zijn eigen naam: de Brabham BT3, die hij in samenwerking met landgenoot Ron Tauranac ontwikkelde. "Mijn eerste interesse voor de sport lag in de technische kant ervan. Ik had mijn eerste eigen auto ontwikkeld voor iemand anders, maar zijn vrouw weerhield hem van het racen. Ik kon niet meer verder bij Cooper en toen ben ik er zelf in gaan rijden.", onthult Jack Brabham exclusief voor F1 Planet.

In zijn eerste jaar als constructeur behaalde Brabham 9 punten. Samen met Tauranac vormde hij de spil van het team en de doorontwikkeling van de auto resulteerde al een jaar later in een duidelijke verbetering. Brabham eindigde als derde in het constructeurskampioenschap. In 1964 behaalde de Amerikaan Dan Gurney de eerste overwinningen voor Brabham in het Franse Rheims en in Mexico. Brabham zelf reed in 1965 niet in alle Grand Prix' mee, maar bereidde achter de schermen een gouden wissel voor.

Eind 1965 ging de Formule 1 over van 1,5 liter motoren op 3- liter-motoren. Brabham had het Australische Repco een nieuwe krachtbron laten bouwen die de concurrentie versteld deed staan. In Frankrijk werd hij de eerste coureur die een Grand Prix won in zijn eigen auto, aan het einde van 1966 is hij de eerste wereldkampioen in zijn eigen auto: op 40-jarige leeftijd behaalde hij zijn derde wereldtitel! Ook in 1967 wist Team Brabham met een nieuwe Repco-motor te domineren. De strijd om de wereldtitel ontvouwde zich tussen Brabham en zijn protégé Denny Hulme. Er waren geen teamorders en Hulme won na een enerverend duel in Mexico zijn wereldtitel.

De dominantie zou niet meer voortduren, omdat de Repco-motor in betrouwbaarheid te kort schoot. Brabham had de jonge Jochen Rindt aangetrokken als zijn teamgenoot, maar pas toen in 1969 de overstap werd gemaakt naar Ford-motoren kon Team Brabham weer een overwinning bijschrijven. Het was Jacky Ickx die de naar Lotus verkaste Rindt deed vergeten met zeges in Duitsland en Canada. 

Brabham zelf besloot na de historische concentratiefout in de laatste ronde van de Grand Prix van Monaco in 1970 aan het einde van dat jaar een einde te maken aan zijn rol als coureur. Opnieuw verraste hij vriend en vijand door zich tevens uit het team terug te trekken. 

"Ik besefte dat de enige manier om te stoppen was door me volledig terug te trekken. Als ik zou blijven zou ik moeten aanblijven als testrijder, wat naar mijn gevoel gevaarlijker was dan racen. Ik had een ongeluk gehad tijdens het testen. Er was heel weinig hulp, er waren geen marshals aanwezig en geen doktoren ter plaatse. Ik had twee testongelukken gehad die me de boodschap luid en duidelijk hadden overgebracht." 

"Bruce McLaren had me verteld dat hij wilde stoppen met racen en alleen nog maar wilde gaan testen. Ik vertelde hem mijn mening over testen, maar binnen een week verongelukte hij bij een testsessie op Goodwood."

Zijn compagnon Ron Tauranac nam het team onder zijn hoede, maar zou het in 1974 verkopen aan Bernie Ecclestone. Die zou met Nelson Piquet de eer van Brabham in het begin van de jaren '80 hoog houden met twee wereldtitels. Jack Brabham zelf kijkt met genoegen terug op zijn tijd in de Formule 1: "Het bouwen van de auto's en de ontwikkeling van de Repco-motor was geweldig. Voor het managen van een team heb je de juiste mensen om je heen nodig. Maar ik weet zeker dat ik vijf keer wereldkampioen had kunnen worden als ik alleen coureur was geweest. Het één staat in verband met het ander."

 

 

Sir Jack Brabham was een van de eerste coureurs die een eigen team begonnen.

 

 

De eerste wereldkampioen in zijn eigen auto.

 

 

Brabham ontwikkelde een van de eerste 'vleugelauto's'.

 

 

Brabham had Jochen Rindt als beoogd opvolger aangetrokken, maar die verkoos een overgang naar Lotus.

  Sir Jack Brabham: wereldkampioen 1959, 1960, 1966    
  Brabham (1962-1970)    
  2 rijderstitels (Jack Brabham 1966; Denny Hulme 1967)    
  2 constructeurstitels (1966; 1967)    
  13 zeges; 14 pole positions    
  265 punten    
       
 

John Surtees        

De loopbaan van John Surtees kende een aantal opvallende wendingen. Surtees, die in 1934 werd geboren in het Engelse Tatsfield, werd eind jaren '50 vier keer wereldkampioen in de 500cc motorsport, debuteerde in 1960 in de Formule 1 en werd in 1964 ook daar wereldkampioen en startte na zijn actieve loopbaan zijn eigen Formule 1-team. Na zijn indrukwekkende debuut bij Lotus en enkele seizoenen bij het team van Reg Parnell kreeg hij in 1963 een contract bij Ferrari, waarmee hij een jaar later de wereldtitel pakte.

Na zijn periode bij Ferrari hielp Surtees Honda de Formule 1 in. Daar groeide hij uit tot de spil van het team. Door de communicatieproblemen met de Japanners nam hij, als een van de weinige Engelssprekenden in het team, een belangrijke rol in de organisatie. In 1967 won hij voor Honda de Grand Prix van Italië, maar verder draaide het Honda-project uit op een teleurstelling. Na de dood van Surtees' teamgenoot Jo Schlesser trok het team zich in 1969 definitief terug. In 1969 stapte hij over naar BRM, maar trof hij tevens voorbereidingen voor het oprichten van zijn eigen team.

In eerste instantie zou Team Surtees gericht zijn op het bouwen van chassis voor de F5000-serie, maar John Surtees had zich in zijn element gevoeld in zijn sturende rol binnen het Honda-team en was op 36-jarige leeftijd toe aan een nieuwe uitdaging: Surtees zou constructeur worden in de Formule 1. De eerste Surtees-Ford, de TS7, debuteerde halverwege 1970 in Brands Hatch. In Canada behaalde Surtees zelf de eerste punten voor het team met een vijfde plaats. In 1971 reed het team voor het eerst een volledig seizoen met twee coureurs. De Duitser Rolf Stommelen nam plaats in de tweede Surtees. Een aantal coureurs, waaronder de Nederlander Gijs van Lennep, namen incidenteel deel in een derde Surtees-chassis. Het team behaalde een totaal van acht punten.

In 1972 beëindigde John Surtees zijn carrière als coureur. Voor dat seizoen contracteerde hij Mike Hailwood, die eveneens een verleden had in de motorsport. In 1972 had Surtees het hele seizoen drie auto's in competititie. Hailwood, Tim Schenken en Andrea de Adamich behaalden in totaal 18 punten voor Team Surtees, waarmee het als vijfde eindigde in de stand om de constructeurstitel. Het zou het beste jaar blijven uit de geschiedenis van het team. De jonge talenten Jochen Mass en Carlos Pace deden het in de daaropvolgende jaren niet slecht, maar het team kwam veel tekort ten opzichte van Lotus, McLaren en Ferrari.

Door het krappe budget was er weinig geld voor de doorontwikkeling van de auto's. Surtees leek aanvankelijk een grote sponsor te hebben binnengehaald, maar de deal ketste alsnog af. Hierdoor kwam het team in 1975 met maar één auto aan de start, bestuurd door John Watson. De Noord-Ier kon dat jaar geen enkel punt veiligstellen. Pas toen de latere wereldkampioen Alan Jones de gelederen kwam versterken ging het beter. De jonge Australiër zou in 1976 zeven punten verzamelen in de sterke Surtees TS19 van dat jaar. De Italiaan Vittorio Brambilla bracht een jaar later eindelijk de lang verwachte sponsor, maar ondanks dat hij nog zeven punten bij elkaar reed, ging het niet goed met het team.

De zware verantwoordelijkheid van teambaas begon zijn tol te eisen. John Surtees lag in 1977 en '78 lange tijd in het ziekenhuis en daarmee leek de angel uit het team. De sponsors haakten af en voor 1979 bleek het financieel niet meer haalbaar om aan de start te verschijnen. Surtees nam na lange tijd afscheid van de autosport.

 

 

John Surtees: kampioen op twee en vier wielen.

 

 

Surtees bestuurde in 1971 zelf de TS7

 

 

Team Surtees gaf de kans aan jonge talenten als de Braziliaan Carlos Pace. 

 

  John Surtees: wereldkampioen 1964    
  Surtees (1970-1978)    
  Beste resultaat: 2e    
  53 punten    
       
 

Graham Hill

Graham Hill had er al zestien jaar Formule 1 opzitten toen hij zijn eigen team oprichtte. De Brit was in 1958 gedebuteerd en begon in 1962, twee jaar na zijn overstap van Lotus naar BRM, met regelmaat races te winnen. De BRM deed het zo goed, dat Hill met zijn landgenoot Jim Clark de strijd kan aanknopen om de wereldtitel. Nadat Clark, de grote favoriet, in de laatste race met problemen aan de kant moest, kon Hill onbedreigd naar zijn eerste wereldtitel rijden. Het zou tot 1968 duren voor hij dat kunststukje kon herhalen. Hill was inmiddels teruggekeerd bij Lotus en was nu teamgenoot van Jim Clark. Clark verongelukte echter in een Formule 2-race in Hockenheim, wat Hill promoveerde tot Lotus' eerste coureur. Opnieuw was hij verre van favoriet voor de titel, maar had in de laatste race andermaal het geluk aan zijn zijde.

Na zijn wereldtitel ging het echter bergafwaarts met zijn carrière. Hij was inmiddels veertig jaar oud en moest bij Lotus de scepter overdragen aan de veel jongere Jochen Rindt. Hij overleefde een zwaar ongeluk, maar was niet van plan het racen uit zijn hoofd te zetten. Na twee seizoenen als privateer en enkele races voor Brabham besloot Hill in 1973 met een eigen inschrijving deel te nemen. 

Hij strikte sigarettenfabrikant Embassy als sponsor voor het project. De Shadow-Hill was dat seizoen echter dramatisch onbetrouwbaar en nauwelijks competitief. Hij sloot het jaar zonder punten af en besloot voor 1974 over te stappen op een Lola-chassis. De Duitser Rolf Stommelen bestuurde de tweede auto voor het team. In Zweden kreeg Hill eindelijk loon naar werken en behaalde hij het eerste punt voor zijn team. In 1975 kwam Embassy Hill aan de start met een eigen chassis. Hill was inmiddels 46 jaar, maar nog altijd zelf actief. Pas toen hij zich in Monaco, nota bene de race die hij vijf keer had weten te winnen, niet wist te kwalificeren drong het tot hem door dat het mooi was geweest. Het jonge talent Tony Brise volgde hem op.

Maar aan het einde van het seizoen 1975 sloeg het noodlot toe. Hill's privé-vliegtuig met aan boord de tweevoudig kampioen, coureur Brise en nog drie leden van het team raakte in zwaar weer op de weg terug naar Engeland. Bij de landing maakte Hill een onfortuinlijke inschattingsfout, waardoor het vliegtuig verongelukte. Alle inzittenden kwamen daarbij om het leven. Het betekende het brute, abrupte einde van het Embassy Hill-team.

 

 

Graham Hill had al zestien jaar ervaring toen hij zijn eigen team oprichtte.

 

 

De Embassy Hill, bestuurd door Tony Brise, was nauwelijks competitief.

 

  Graham Hill: wereldkampioen 1962, 1968    
  Embassy Hill (1973-1975)    
  Beste resultaat: 6e    
  4 punten